Structuurdenken en procesdenken
December 2001. Aantekening in logboek: Voordat ik verder ga in
het boek van VAN DONGEN e.a. over kwesties van verschil, lees ik de samenvattingen van onze
leesgroep nog eens door. Ik krijg het idee dat er veel mooie (en bruikbare)
theorieën zijn, maar dat mijn dagelijkse praktijk vraagt om een eigen
benadering.
Daar gaat ie dan. Ik vind zowel structuurdenken als procesdenken
van belang in organisaties. Statische dingen, de "setting" en de
relaties tussen mensen vormen samen het geheugen, beïnvloeden elkaar. Mijn
argumenten hiervoor:
- als bioloog heb ik gezien dat elke structuur zijn mogelijkheden en
beperkingen heeft
- als docent heb ik gezien hoe de indeling van een lokaal het gedrag van
leerlingen beïnvloedt
- zelf ben ik gevoelig voor de sfeer van een ruimte
- bij adviesprojecten heb ik
ervaren hoe de setting bij een presentatie of workshop de deelname van de
aanwezige personen kan bepalen
- ik heb ervaren dat bij sommige organisaties de rang die je noemt
sterk van invloed is op de manier waarop je benaderd wordt
- het proces komt vooral tot uiting in de productieregels van de setting,
de structuur, de relaties; hoe wordt geheugen gevormd en vastgelegd.
Ik ben het dus met STRIKWERDA
eens dat de inrichting van de organisatiestructuur een belangrijke invloed
heeft. Maar daar kan het niet bij blijven.

cartoon
van Mark de Koning, tekenaar en adviseur
Nieuwe inzichten leiden niet vanzelf tot andere
gedragspatronen
Het inzicht ontstaat dat elke nieuwe ontdekking van de werkelijkheid ook
een herschepping van de werkelijkheid is. Hierdoor kunnen nieuwe verbanden
worden gelegd. Het gebruik van verschijnselen uit de ene discipline als
metafoor in een andere discipline kan bijdragen aan het leggen van verbanden.
"Disciplines" die ik daarvoor gebruik hebben te maken met muziek,
ecologie/biologie, docentschap, moederschap.
Inzichten uit de ene situatie leiden niet automatisch tot bewustzijn in een
volgende, zelfs soortgelijke, situatie. Het leggen van verbindingen is van
belang. ARGYRIS heeft een zeer bruikbare diagnosemethodiek ontwikkeld.
Maar de overgang van Model 1 naar Model 2 presenteert hij als een stap die
genomen kan worden als je maar eenmaal weet waar je naar toe moet. Dit
veronderstelt dat "geheugen" en patronen die in de structuren en
cultuur van een organisatie zijn vastgelegd op korte termijn veranderd kunnen
worden, wat ik betwijfel.
Gebruik van meerdere
invalshoeken is van belang
Tijdens de BMC (Beroepsopleiding Management Consultant) hebben we diverse docenten hun modellen van en voor de
werkelijkheid zien presenteren. En er mee geoefend. In veel gevallen had ik
het gevoel: het lijkt zo eenvoudig, waarom kan ik dat dan niet toepassen? Nu
ik er op terug kijk zijn er een aantal dingen onderbelicht gebleven:
- Situaties zijn veel complexer dan het model. Er zijn meerdere
invalshoeken nodig, die vervolgens zorgvuldig geïntegreerd moeten worden
tot een rijker beeld. Met name de methodieken gericht op teksten en
observables in het hier en nu vereenvoudigen de werkelijkheid te snel naar
mijn idee. Het
zijn waardevolle methodieken, maar veel zaken ontdek je pas als je mensen
en organisaties langer kent. Ik sluit me aan bij SCHEIN: eerst uitgebreid
kijken, binnen de tijd die je hebt; daarna kan vereenvoudigen altijd nog.
Een gevolg hiervan is dat een intakegesprek of een diagnose liefst met zoveel mogelijk
mensen uit de organisatie moet plaatsvinden.
- Veel docenten vergeten te vertellen hoe hun aanpak in jarenlange
oefening en ervaring is ontstaan. Het zoekproces wordt vaak niet
verteld.
- Er zit een veronderstelling achter dat als mensen zich bewust zijn van
hun aanpak dit ook leidt tot een ander handelingsvermogen. Hoe vaak heb ik
zelf niet ervaren dat weten maar moeizaam leidt tot een ander
gedragspatroon. Alleen in zeer urgente gevallen lukt dat op korte termijn,
maar dan is het een kwestie van slikken of stikken. Dit kan ook een
interventiestrategie zijn natuurlijk: zeer urgente situaties
scheppen.
Postmodernisme en sociaal constructivisme
onbevredigend
De boodschap van het postmodernisme, het einde van de grote verhalen over
het goede en het ware, geeft me een onbevredigd gevoel. Er zit wel wat in,
maar het mist een doel. Het positivistische, moderne denken kent vooral een
rationele benadering (er is maar één waarheid, vanuit een
natuurwetenschappelijke redenering). Het postmodernisme kent meerder
perspectieven, meerdere waarheden. Er is niet een universeel stelsel van
normen en waarden te benoemen, vanuit de redenering dat de waarheid een
sociaal construct ischt zich op de beleving.
In de literatuur over sociaal constructivisme binnen
Sioo vind ik veel theorie over denken en weinig over voelen en lichamelijke
zaken. Alsof het natuurlijk systeem er niet toe doet in organisaties.
Man-vrouw verhoudingen lijken geen rol te spelen in organisatieadviesland
zoals dat binnen de BMC geschetst wordt (alle docenten van de BMC zijn mannen,
zou er een verband zijn?). Vanuit dat gevoel van onvrede over postmodernisme, sociaal constructivisme
en de rol van gevoel heb ik gedacht: welke filosofie, welk gedachtegoed
vertelt meer over de zaken die ik mis. Zo kwam ik uit bij "De logica van
het gevoel" van Arnold CORNELIS (1993). Dit boek had ik al jaren op de
plank staan, maar nooit goed gelezen.
Eigen logica wordt noodzakelijk:
ontstaan van een de logica van lef .....
Het boek geeft me een stoomcursus over de historie van de filosofie. Als
logica het fundament is voor redeneringen en methodieken dan wordt het
noodzakelijk om mijn eigen logica te beschrijven. Ik kan er nu niet meer onder
uit.
Op 18 januari 2002 heb ik twee gesprekken met studiegenoten en een gesprek met
de programmaleider van de BMC, Ad Boer, over de ontwikkeling van een eigen
signatuur. Elk gesprek maakt mij bewuster van wat ik wel en niet wil. Het
inzicht ontstaat dat de vraagstukken waar ik mij mee bezig gehouden heb een
overeenkomst hebben: hoe organiseren mensen het leerproces in
organisaties.
Terwijl ik de ervaringen over de gesprekken de volgende dag in
mijn logboek noteer krijg ik een soort "Yahoo" gevoel: eerst stond
het er allemaal en ik begreep wat er stond (meestal), maar ik kon het niet
plaatsen in een groter geheel. Nu is er een nieuwe laag ontstaan, een
integratiekader dat ik eerst niet kon bedenken. Het schema van de gelaagdheid
in de cultuur en de logica van het gevoel bieden een kapstok voor
integratie van modellen en managementsystemen. En het biedt mogelijkheden om
gevoel, positivisme en sociaalconstructivisme te integreren.
Als je het verhaal leest van de totstandkoming van een eigen theorie tot
dan toe (waarom heb ik het idee dat het nooit meer ophoudt?) dan is dit
eenzelfde proces als Naturalistic Inquiry:
- waarnemingen doen en betekenis geven
- verzamelen van elementen met betekenissen
- verbindingen leggen tussen de elementen, waarbij logische verbanden
ontstaan, "sensitizing concepts" naar voren komen
- er komt een hoger systeem, een theorie boven drijven
- de toetsing van de theorie en de
sensitizing concepts bij anderen is van
belang, om fouten te kunnen corrigeren.
Dit laatste heb ik gedaan (en
doe ik nog steeds) door: aanschuren tegen de mening van docenten,
bestuderen van literatuur, stoeien met vormgeving, oefenen in projecten,
gesprekken met sparringpartners, schrijven van stukken. In het werkboek
wordt de methode van NI verder besproken.
Waarom de logica van het gevoel mij aanspreekt
Ik ben van mening dat er wel fundamentele waarheden zijn over mensen. Dit
zijn de waarden die een kader vormen waar iedereen het over eens is
(uitzonderingen daargelaten). De invulling van dat kader kan voor ieder mens
anders zijn. De belangrijkste waarde is dat ieder mens, maar ook ieder
levend systeem zijn capaciteiten wil ontwikkelen, wil groeien en in leven
blijven. Daaraan zijn goed en kwaad af te meten of bespreekbaar te
maken.
Al lezend vallen me voortdurend voorbeelden in: herkenning en verheldering.
De logica biedt me een kapstok om ander logica's aan op te hangen:
- betrekt de mens als geheel, als organisme, als sociaal wezen en als
communicatief wezen
- biedt tegenwicht aan louter rationele redeneringen die gevoel geen rol
toekennen
- de analogie van lichamelijke ontwikkeling en evolutionaire ontwikkeling
maakt CORNELIS voor de leerontwikkeling van kind naar volwassene en
de ontwikkeling van de mensheid van een primitieve maatschappij naar een communicatieve
maatschappij
- herkenbare principes van systeemdenken die
ik in mijn
biologiestudie al tegenkwam: insluiting in een integrerend systeem en
bescherming tegen de buitenwereld van het systeem door een omhulsel,
evolutie van systemen
- de manier waarop CORNELIS zijn kennistheorie verbindt aan kunst vind ik
van een grote schoonheid
- is dermate fundamenteel, integraal, dat
de theorie in en aan alle disciplines
te illustreren is en ook consequenties heeft voor alle disciplines; biedt
een overkoepelende leertheorie
- bouwt voort op de logica van filosofie in de historie; verwerpt andere
logica's niet maar integreert ze door ze in een bepaalde stabiliteitslaag
te plaatsen
- geeft een rol aan emancipatie van mensen, van mannen en vrouwen
Enkele kritische kanttekeningen heb ik ook bij de logica van het gevoel.
Die komen aan de orde bij de beschrijving van mijn logica, in de manier waarop
ik de logica van CORNELIS heb gewijzigd en aangevuld met de logica van anderen
en van mijzelf.
Opstellen van de modellen
Al lezend in de logica van
gevoel (en dat duurt wel een paar weken, want het boek telt 750 pagina's;
met het maken van aantekeningen er bij haal ik een snelheid van 10-15 pagina's
per uur; af en toe toch maar een stukje overgeslagen) valt me in dat
CORNELIS de dynamiek van de ontwikkeling van de systemen en de relaties tussen
de cruciale factoren wel beschrijft, maar niet in een model laat zien. SENGE
tekent zijn archetypen voor ontwikkeling altijd in twee diagrammen: een
grafiek in de tijd en een Causal Loop Diagram (wij noemde dat in de
biologie gewoon een kringloopdiagram, maar ik zal voortaan van CLD
spreken).
Dus ben ik aan de slag gegaan
met het maken van CLD's. Wat is de centrale variabele die zich in de tijd
ontwikkelt? Daar heb ik al geruime tijd over na moeten denken. Wat groeit er
nu eigenlijk, hoe noem ik dat? De terminologie moet herkenbaar zijn voor de
praktijk, anders kan je er niet mee werken. Na veel proberen kwam ik op
"ontwikkeling capaciteiten". Vervolgens was de vraag " welke
factoren sturen de ontwikkeling van capaciteiten, en wat is het effect,
versterkend of remmend? Vele CLD's getekend, soms in het holst van de nacht
wakker geworden, briefjes op het nachtkastje. Niet kunnen slapen, weer het
licht aan, o ja, dat moet er ook nog bij, of: nee dit klopt niet, het zit
anders.
Het resultaat is een (in ieder
geval voor mij) nieuwe theorie: verder
naar de logica van lef, discipline en communicatie.
terug naar boven
|